Onderzoeken

Tijdens je zwangerschap kun je verschillende onderzoeken krijgen om de gezondheid van jou en je baby in de gaten te houden. Sommige onderzoeken krijg je standaard aangeboden, andere onderzoeken kun je ook ontvangen, mits dit medisch nodig is. Je verloskundige bepaalt of dat het geval is. Bij veel onderzoeken kun je ook zelf bepalen of je ze wel wilt, bijvoorbeeld een test om na te gaan of je baby kans heeft op een afwijking. Je verloskundige geeft je uitleg over alle onderzoeken en vertelt welke noodzakelijk zijn en waar je zelf over kunt beslissen. 

Bron: prenatalescreening.nl

Wanneer je zwanger bent, kunnen één of meerdere onderzoeken plaats vinden.

Eerste bloedonderzoek

Tijdens het onderzoek (ook wel Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) genoemd) wordt er onderzoek gedaan naar de volgende aandoeningen:

  • Bloedgroep;
  • Hemoglobinegehalte;
  • Rhesus-D-factor;
  • Irregulaire erytrocytenantistoffen (IEA);
  • Syfilis (lues);
  • Hiv;
  • Hepatitis B.

Dit bloedonderzoek is nodig om te onderzoeken of de gezondheid van je ongeboren kindje gevaar loopt. Er kunnen bacteriën of virussen in je bloed zitten waar je kindje ziek van kan worden. Je bloed wordt in een laboratorium onderzocht. Hierna stuurt het laboratorium de uitslag naar jouw verloskundige, huisarts of gynaecoloog. Wanneer het nodig is krijg je een verwijzing voor een verdere behandeling of een vervolgonderzoek.

Combinatietest ( nekplooimeting )

De combinatietest bestaat uit twee verschillende onderzoeken waarmee de kans wordt berekend dat je een kindje met het Downsyndroom krijgt.

De eerste test is een bloedonderzoek en dit vindt plaats tussen de 9e en 14e week van je zwangerschap. Hierbij wordt een beetje bloed bij jou afgenomen om twee stoffen (hormonen) te kunnen meten.

De tweede test is een echo-onderzoek (of nekplooimeting) die plaats vindt tussen de 11e en 14e week van de zwangerschap. Tijdens deze echo wordt de dikte van de nekplooi van je kindje gemeten.

Alle ongeboren kindjes hebben bij een zwangerschapsduur van 10 tot 14 weken een laagje vocht in hun nek, de nekplooi. Maar hoe dikker die nekplooi, hoe groter de kans het kindje het Downsyndroom heeft. Om de uitslag te bepalen, worden beide uitslagen gecombineerd met de leeftijd van de moeder en de precieze duur van de zwangerschap.

Wanneer blijkt dat er een verhoogde kans bestaat op een kindje met het syndroom van Down, krijg je altijd een vervolgonderzoek aangeboden. Dit gebeurt ook als bij de nekplooimeting een nekplooi van 3,5 millimeter of dikker wordt gemeten, zelfs als de uitslag van de combinatietest geen verhoogde kans heeft uitgewezen.

Een nekplooi van minimaal 3,5 millimeter kan namelijk ook nog op een andere aandoening wijzen. Uit het vervolgonderzoek (prenatale diagnostiek) kan met zekerheid worden vastgesteld of je kindje het Downsyndroom heeft. Dit vervolgonderzoek bestaat uit een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie.

 

Vlokkentest

Deze test kan uitgevoerd worden tussen de 10e en 13e week van de zwangerschap waarbij een beetje weefsel van de moederkoek (placenta) uit de baarmoeder wordt weggenomen. Dit kan zowel via de buikwand als vaginaal gebeuren. Omdat het weefsel er vlokkig uitziet, wordt dit de vlokkentest genoemd.

Als het weefsel via de buikwand wordt weggehaald, gebeurt dit met een naald die wordt ingebracht in de onderbuik waarbij door middel van een echo-apparaat de juiste plaats wordt bepaald.

Als het weefsel via de vagina wordt weggenomen, gebeurt dit met een dun tangetje of slangetje. Hierbij lig je op een gynaecologische onderzoeksstoel en wordt een speculum (eendenbek) ingebracht in de vagina. Met behulp van een echo-apparaat kan de arts zien waar de moederkoek zit en zo wat weefsel wegnemen.

 

Vruchtwaterpunctie

Rond de 16e week van de zwangerschap kan een vruchtwaterpunctie gedaan worden om onderzoek te doen naar de chromosomen.

De meest voorkomende chromosoomafwijking veroorzaakt het Downsyndroom, maar er kan ook gezocht worden naar vormen van een open ruggetje of open schedel.

Het wegnemen van vruchtwater gebeurt met een naald die via de buikwand wordt ingebracht. Hiermee wordt vervolgens 15 - 20 milliliter vruchtwater opgezogen dat lichaamscellen van het kindje bevat die onder andere van de huid komen. Deze cellen worden vervolgens onderzocht op eventuele afwijkingen aan de chromosomen.

Het vruchtwater zelf wordt onderzocht op de stof alpha-foetoproteïne. Als de hoeveelheid van deze stof verhoogd is, is dit een aanwijzing voor een open ruggetje of andere lichamelijke aandoening.

 

20 weken echo

De 20-weken echo wordt ook wel structureel echoscopisch onderzoek (SEO) genoemd.

Met behulp van deze echo wordt onderzoek gedaan naar eventuele lichamelijke afwijkingen bij het ongeboren kindje. Er wordt uitgebreid gekeken naar de ontwikkeling van de organen, maar ook of het kindje goed groeit en of er voldoende vruchtwater is.

Voorbeelden van afwijkingen die bij deze echo kunnen worden gezien, zijn:

  • Open ruggetje;
  • Open schedel;
  • Waterhoofd;
  • Hartafwijkingen;
  • Breuk of gat in het middenrif;
  • Breuk of gat in de buikwand;
  • Ontbreken of afwijken van de nieren;
  • Ontbreken of afwijken van botten;
  • Afwijkingen aan armen of benen.  

Deze 20-weken echo is overigens niet bedoeld om het geslacht van je kindje te bepalen.